Portugese Grammatica
Werkwoorden
Werkwoorden worden verdeeld in drie vervoegingen, die herkend kunnen worden door te kijken naar waar het infinitief op eindigd, een van "-ar", "-er", "-ir" (en "-of", wat aanwezig is in een enkelvoudig werkwoord, "por" (leggen). Dit werkwoord heeft echter te maken met de "-er" vervoeging, vroeger was het "poner" toen "poer" en toen "por"). De meeste werkwoorden eindigend op "-ar", zoals cantar (zingen). Alle werkwoorden met de zelfde uitgang hebben de zelfde regel.In het portugees zijn werkwoorden verdeeld in stemmingen:
Gebiedend. Wordt gebruikt voor een wens, bevel of advies
Aanwijzend. Wordt gebruikt voor een feit
Bepalend. Om een wens of mogelijkheid uit te drukken
Naamwoorden
Alle portugese voornaamwoorden hebben twee geslachten: mannelijk of inclusief en vrouwelijk of exclusief. De meeste bijvoeglijk naamwoorden en voornaamwoorden en alle lidwoorden die een geslacht aangeven. Het vrouwelijke geslacht bij bijvoeglijk naamwoorden wordt op een andere manier gevormd dan bij naamwoorden. De meeste bijvoeglijk naamwoorden eindigend op een medeklinker blijven hetzelfde: homem superior (hoogste man), mulher superior (hoogste woman). Het naamwoord en bijvoeglijk naamwoorden moeten altijd overeenstemmen: homem alto (lange man), mulher alta (lange woman).Voornaamwoorden
Persoonlijk voornaamwoorden
Persoonlijk voornaamwoord: eu, você, ele-ela, nós, vocês, eles-elasIn het europese portugees is você "u", tu wordt onder familie, vrienden en kinderen gebruikt. In het braziliaans wordt tu b ijna nooit gebruikt (alleen in only in regions in south and north-east parts of Brazil). In colloquial speech tu can be used with 3rd person singular verbs. vós (you plural) wordt meestal ook niet gebruikt, het wordt vervangen door vocês.
Werkwoorden met você horen in de 3e vorm enkelvoud, werkwoorden met vocês horen in de 3e vorm meervoud. Dus gewoonlijk worden er geen werkwoorden in de 2e persoon enkelvoud gebruikt.
Bezittelijk voornaamwoorden
meu, minha, meus, minhas: mijnseu, sua, seus, suas: jouw
seu, sua, seus, suas: zijn / haar
nosso, nossa, nossos, nossas: ons/onze
seu, sua, seus, suas: jouw
seu, sua, seus, suas: hun
Aanwijzend voornaamwoord
Enkelvoud: este/esta (deze), esse/essa (die), aquele/aquela (dat)Meervoud: estes/estas (die), esses/essas (die), aqueles/aquelas (die)
Vergelijking
De vergelijking
Meer: MAIS - Minder: MENOSdo que of que = dan
O tempo de hoje está mais frio (do) que o de ontem: Het weer vandaag is kouder dan het weer gisteren.
De overtreffende trap
Gebruik het bepalend lidwoord voor de overtreffende trap:Hoje é o dia mais frio do ano: Vandaag is de koudste dag van het jaar.
Een paar uitzonderingen:
bom - melhor goed - beter
mau - pior slecht - slechter
grande - maior groot - groter
pequeno - menor klein - kleiner






